Als ik later groot ben, wil ik naar Afrika

Sietske en Hinne

Sietske en Hinne

Het is alweer bijna drie jaar geleden dat ons gezin is vertrokken naar Afrika, naar Kumba in Kameroen. Op 28 juli 1998 zijn we vertrokken om voor vier jaar te wonen en te werken op een Presbyteriaans Seminarium. We vertrokken met z’n vieren en zijn inmiddels met ons vijven. Ons gezin bestaat uit: Hinne Wagenaar (39), Sietske Visser (38), Jornt (10), Leon (8) en Jonas (2). ‘De tiid hâldt gjin skoft’.

 De komende maanden mag u over mijn schouder meekijken naar ons leven en werken hier in Kumba. Maar eerst neem ik u mee terug in de tijd. Terug naar hoe het is begonnen. Het is meer dan vier jaar geleden dat we begonnen te praten over ander werk, een ander doel in het leven. Beide hadden we een drukke baan. Hinne was studentenpredikant voor buitenlandse studenten. Hij was veel op pad en op zondag vaak de hele dag weg voor de kerkdienst. Zelf werkte ik drie dagen per week als groepsmaatschappelijk werker. Een fijne baan maar de combinatie werk, kinderen, kerkenwerk en een drukke echtgenoot was niet altijd makkelijk. Intussen hadden we twee kinderen. De oudste, Jornt Wigle, werd geboren in 1990, toen we net alle twee met onze nieuwe banen begonnen. De tweede, Leon Babatunde, kwam in december 1992. Een klein bruin jongetje uit Sierra Leone. Een adoptiekind.

Oude dromen
Het was tijd voor iets anders, tijd voor een nieuwe uitdaging. Oude dromen kwamen weer boven. Jarenlang zaten ze opgesloten in een hoekje in mijn hoofd, onder gestoft. ‘Als ik later groot ben, wil ik naar Afrika om daar de arme kinderen te verzorgen’, schreef ik als twaalf-jarige in een opstel voor taal. Hinne werkte al voor de Raad voor de Zending (toen in Oegstgeest) dus we hadden al contact met de zendingswereld. Toen we hoorden dat er een baan in Kameroen vrij zou komen, waren we meteen enthousiast. Zo konden we onze kennis en ervaringen met mensen daar delen, konden we leren van een geheel andere cultuur en zouden we ook ervaren hoe het is om te leven in Afrika, waar onze Leon was geboren.

Toch werd ook direct een andere kant van deze keuze zichtbaar. We moesten onze familie achterlaten. Ik ben enig kind en dan is het achterlaten van de ouders, denk ik, dubbel moeilijk. De kinderen (toen vijf en zeven jaar oud) moesten we uit hun vertrouwde omgeving halen en wie weet waar ze weer naar school zouden kunnen. Toch hebben we gesolliciteerd en de baan gekregen. Hinne werd docent op het theologisch seminarium van de Presbyteriaanse Kerk in Kameroen.

Zinvolle spullen
Eind januari 1998 zijn we vanuit Arnhem verhuisd naar Oegstgeest om daar de voorbereidings-cursussen te volgen. Van een groot, oud huis naar een klein appartementje. We gingen samen wonen met allerlei andere mensen en gezinnen. Mensen die ook, net als wij, de cursus gingen volgen voor ze konden gaan werken in een Derde-Wereldland. Anderen die op verlof waren,weer anderen die voorgoed terug kwamen na vier of zes jaar ergens gewerkt te hebben.

En zo vertrokken we eind juli 1998 voor vier jaar naar Afrika. Met vier koffers en wat rugzakjes. De andere bagage was intussen al per schip op weg naar Kameroen. Deze kist zat vol met zinvolle spullen. Speelgoed voor de kinderen, cadeaus voor komende verjaardagen, rollen sinterklaaspapier, een paar potten pindakaas, veel boeken, schoolspullen en muziek. Een tonnetje zat vol met knuffels, een andere vol medicijnen en EHBO-spullen. Onze voorgangers hadden ons gewaarschuwd voor de armoede hier en de weinige luxe: ‘Neem leuke spullen mee voor jezelf, het leven is daar saai en eentonig’. In de kist zaten ook naai- en typemachines voor het seminarium. Deze waren door de Raad voor de Zending opgeknapt voor hergebruik.

Zo vertrek je ‘s ochtends vroeg vanaf een druk Schiphol en kom je ‘s avonds laat, in het stikdonker aan in je nieuwe huis aan de andere kant van de wereld. Een bijna te grote overgang. Hier hadden we dus al die maanden naar toe geleefd, eindelijk waren we er. De nachtwaker zat op de stoep op ons te wachten, de kat lag er bij te slapen en de regen viel met bakken uit de hemel. In huis waren de bedden opgemaakt, het water stond koud in de nieuwe koelkast. En toch…. wat was het huis kaal en vreemd. Wat was het donker buiten en ook lawaaierig van krekels en andere nachtdieren. Jornt, die vreselijk moe was na een vier uur durende autorit van het vliegveld naar ons huis en wel twintig keer had overgegeven, zei dat hij nooit zou kunnen slapen door dat lawaai van die krekels.

Zonder iets uit te pakken en zelfs onze tanden te poetsen zijn we in bed gestapt. We hebben alle vier geslapen als een roos.

Sietske Visser
(Friesch Dagblad, 4 juli 2001)