Heimwee naar het aaisykjen

Te aaisykjen

Te aaisykjen

Ik schrijf deze column in de Stille Week. Stille week, zeg dat wel! We hebben eind vorige week vakantie gekregen, zodat de studenten de stille week en het Paasfeest in hun eigen familiekring en gemeente kunnen vieren. Voor mij betekent het dat de campus er stil en verlaten bij ligt. Geen colleges; geen vieringen; geen studenten die even langskomen. Het is een grote overgang en vooral nu merk ik hoezeer ik mijn gezin mis. Die zijn na de Kerst (immers) in Nederland gebleven. Ik ben ûnwennich!
En nu komen er twee dingen bovendrijven die ik vreselijk mis (de persoonlijke contacten daargelaten): het aaisykjen en een uitvoering van de Matthäus Passion op een mooie locatie. Het eerste is weinig aan te veranderen. Het tweede ook niet echt, maar ik kan wel een cd opzetten. Ik kies voor de volledige 3-cd-versie. Mijn kamers vullen zich nu, tijdens het schrijven van deze column, met verheven muziek. Maar het aaisykjen raakt nog meer aan mijn bestaan. Gedurende de hele maand maart ben ik me bewust geweest dat er in Fryslân mensen zijn die de greiden intrekken. Die het voorjaar begroeten door de elementen te weerstaan. Die door de landerijen zwalken op zoek naar het eerste teken van nieuw leven: it aai fan ‘e ljip. Het gemis van het aaisykjen wordt versterkt door de wisseling die wij hier momenteel ervaren van droge tijd naar regentijd. Het regent hier weer regelmatig. Het verdroogde gras kleurt weer groen, de bomen krijgen weer bladeren en bloemen en talloze (trek)vogels laten zich zien en horen. Het roept het gevoel op van voorjaar, en dus van aaisykjen. In het verleden ging ik altijd een paar dagen te aaisykjen met skoanheit Visser uit Wâldsein. Hij e-mailde mij dat het eerste ei gevonden was in Tjerkgaast, op in plek waar wij wel vaak gingen zoeken. Het is niet waar! We hadden het zelf kunnen vinden. Vreselijk! Verder ging ik altijd een paar dagen op stap met Jurjen en Sytze, twee vrienden en collega’s. Jurjen is predikant in Winschoten en Sytze op Terschelling. Ik schreef hen eind februari de volgende e-mail:

‘Bêste maten!
Ik moat hieltyd oan jimme tinke. It foarjier begjint al by jimme. Binne der al ljippen? Hawwe jimme de skreau fan ‘e skries al heard? Ik bin dea-ûnwennich as ik deroan tink. Ik hoopje dat jimme dit jier der wol wer tegearre op út geane! Oare jier hoopje ik der by te wêzen! Dan kin ik jimme faaks útnoegje yn in nije pastorij! Of moatte we op Skylge efter de ljippen oan? Ik sjoch no al út nei de kjeld; de hagelbuien dy’t ús kâld meitsje oant op ‘e bonken ta; it lizzen yn it jonge nije gers; de sinne op ús grauwe wintergesichten; de lûden fan ‘e bisten en fûgels; de rook fan it lân; de fertroudens fan goede freonen om dy hinne; de moaie lytse aaien yn it nestke. Dan komt jûns de sigaar yn ‘e holle en de bearenburger op ‘e tafel en moatte we jierren oan sterke ferhalen ynhelje. Ha it goed tegearre. Ik bin by jimme!’

Ljip, Kievit, Lapwing

Ljip, Kievit, Lapwing

Mysterie
Het is altijd erg moeilijk om aan buitenstaanders het mysterie van het aaisykjen uit te leggen. Dat ga ik dan ook niet doen. Maar u kunt zich vast voorstellen dat ik er vreselijk over in zit of ik volgend jaar nog wel het land in mag. De berichten uit Fryslân zijn de laatste jaren niet vrolijker geworden. Ik zou het dramatisch vinden wanneer het aaisykjen verboden zou worden. Niet alleen voor mij persoonlijk, maar ook voor onze Friese cultuur die een eeuwenoude traditie ontnomen zou worden. Tegelijk begrijp ik wel dat oude gebruiken niet eeuwig kunnen standhouden wanneer de omstandigheden veranderen. En laten we wel zijn, de omstandigheden in Fryslân veranderen drastisch. In de Hoitebuorster polder, waar ik sinds mijn jonge jaren aaisykje, is de vogelstand drastisch achteruit gegaan. Dat komt echt niet door het aaisykjen, dat is zo langzamerhand wel duidelijk. Maar kunnen we gewoon doorgaan met aaisykjen zonder ons daar iets van aan te trekken? Ik weet dat het aaisikers aan het hart gaat, ook al worden we soms afgeschilderd als tegenstanders van natuurbescherming. We moeten dus inspelen op de ontstane situatie en onze traditie aanpassen aan de ernstige teruggang van de weidevogelstand. Nu ben ik niet volledig geïnformeerd over de discussies van de afgelopen jaren. Maar ik wil het volgende voorstel inbrengen. In het Nederlands worden we meestal eierrapers genoemd. Maar zelf noemen we ons in het Fries aaisikers. Ik zou willen voorstellen om in de toekomst geen kievietseieren meer te rapen, net zoals we bijvoorbeeld geen grutto- eieren rapen. In dat geval blijft het toegestaan om de landerijen in te trekken; om het voorjaar te vieren; om eieren te zoeken; om de cultuur in leven te houden. Zelfs de wedstrijd om het eerste ei kan dan blijven bestaan. Dan brengen we het ei niet bij de burgemeester, maar de burgemeester bij het ei!
Dit voorstel is veel gemakkelijker uit te voeren dan andere ingewikkelde regelingen met aaisikerskaart, nazorg, toestemming van boeren, en landelijke wetgeving. Dit zou de regeling voor de kieviet gewoon gelijk trekken met de regeling voor alle andere weidevogels: Wel zoeken en vinden, niet rapen. Aaisykjen blijft aai-sykjen. Op deze wijze passen we oude tradities aan aan nieuwe en zorgelijke ontwikkelingen. Zo kunnen we traditie en zorg voor de natuur combineren. Geen eieren meer in de pet is erg. Geen vrije toegang meer in de Friese greiden zou ondraaglijk zijn. Volgend jaar in Fryslân!
Maar nu zit ik hier nog in de stilte van de campus ûnwennich te zijn. De glorieuze klanken van de Matthäus Passion maken het dragelijk.

Hinne Wagenaar
(Friesch Dagblad, 28 maart 2002)