Ploeterend door de modder naar de stad

aardig opgedroogd

aardig opgedroogd

We hebben bezoek. De broer en schoonzus van Hinne zijn tweeënhalve week bij ons op bezoek. Dat is erg gezellig en ook goed. Zo kunnen zij thuis vele verhalen vertellen over ons leven hier en wij hebben bij terugkomst mensen met wie we goed onze ervaringen kunnen delen. Met hen zijn we vorige week op vakantie geweest.

De laatste dagen van hun verblijf zijn we weer gewoon bij ons thuis. We willen ze ook laten ervaren hoe ons gewone leven er hier uit ziet. Dus gaan we vanochtend naar de stad, naar Kumba, voor de boodschappen. Het seminarium waar we wonen ligt ongeveer vijf kilometer buiten de stad. Het ligt aan een zandweg met diepe gaten en kuilen. In de regentijd betekent dat een ware slippartij waar we de four-wheel-drive regelmatig voor nodig hebben. Vanochtend overigens niet, de weg is aardig opgedroogd en zonder te veel slippen arriveren we in de stad. Wat heet stad? Een groot dorp is een betere benaming. Veel houten huizen langs zandpaden. Alleen de drie hoofdstraten zijn ooit geasfalteerd geweest en hebben nu diepe kuilen. Er is zoiets als een supermarkt, een bakker (witbrood en soms stokbrood) en een hele grote markt.

Vaste adresjes
De markt bestaat uit een groot ommuurt terrein waarbinnen allemaal kleine winkeltjes zijn. De winkeltjes zijn niet groter dan een paar vierkante meter en de meeste spullen zijn uitgestald op straat. Ook deze straatjes zijn niet geasfalteerd dus ploeter je ook hier door de modder. Ik heb mijn vaste adresjes waar ik groente en fruit koop. De mevrouw van de groente groet ons vriendelijk en zegt tegen Hinne=s broer Teun: ‘Good morning Reverend (goedemorgen dominee)’. Dat is al de zoveelste deze week die de twee broers door elkaar haalt. Alle witte mensen lijken ook op elkaar! Ook wij konden in het begin niet goed onderscheid maken tussen zwarte mensen: ‘Ze lijken allemaal op elkaar’. We kopen tomaten, groene boontjes, aardappelen, green (soort spinazie) bakbananen en wortels. Bij een ander standje kopen we maïs voor de kippen. Irmgard, mijn schoonzus, ziet haar de ogen uit wat betreft kleuren en geuren. Er is zoveel te zien wat onbekend is. Iets verder op is mijn adresje voor fruit. Deze mevrouw heeft haar uitstalling gewoon op straat. Twee grote paraplu’s beschermen haar tegen de regen of zon. Op een klein tafeltje heeft ze haar spullen uitgestald; ananassen, sinasappels, mandarijnen en papaya. We kopen twee ananassen en de kinderen krijgen ieder twee mandarijntjes. Het wisselgeld stopt ze in de punt van haar rok waar ze een knoop overlegt. Mensen kennen hier geen portemonnee.

Onderhandelen
Leon (8) en Jonas (2) zijn vanochtend mee naar de stad. Ze hebben beide nieuwe schoenen nodig en die kopen we ook op de markt. Hier zijn geen mooie schoenwinkels. De enige schoenen die we hier kunnen kopen zijn tweedehands schoenen uit Europa. Binnen een paar minuten hebben we de twee paar schoenen gevonden, veel keus is er immers niet. De prijs hebben we in overleg bepaald. Op de markt geldt de regel van het ‘bargainen’, het onderhandelen. De schoenverkoper vraagt 5000 cfa (zo’n vijftien gulden) voor de sandalen. Ik vind 3500 ook wel genoeg. Uiteindelijk betaal ik 4500 cfa. Ze overvragen mij meestal vanwege mijn witte kleur. In het onderhandelen ben ik niet zo goed. Ik vind het al gauw goedkoop, maar ik weet wel dat ik het spel mee moet spelen. Ook laat ik altijd even merkendat ik de plaatselijk taal, het Pidgin, beheers zodat men weet dat ik niet een toerist ben. Ook dat scheelt in de prijs.

Men kijkt nog altijd met veel aandacht naar de samenstelling van ons gezin (1 wit kind en 2 Afrikaanse kinderen). Nu ik met Leon en Jonas over de markt loop dan vragen ze regelmatig of ik met een Afrikaan getrouwd ben vanwege de twee bruine kinderen. Ik ontken, maar leg het verder niet uit. Heb ik onze oudste zoon, Jornt, ook mee (wat niet vaak gebeurt want hij heeft een hekel aan de stad en al die mensen die naar hem kijken) dan vraagt men of ik twee mannen heb. Witte mensen zijn hier een uitzondering. Er wonen in totaal vijftien witte mensen in Kumba op een totale bevolking van zo’n 60.000 mensen.

Postkantoor
Na de markt gaan we naar het postkantoor. Hier halen we de post. Dat is altijd weer een hele onderneming. De mensen op het postkantoor zijn niet vriendelijk en behulpzaam. Soms zien ze me niet eens staan. Als ik vriendelijk vraag of er ook post voor het seminarium is krijg ik vaak geen antwoord. Terwijl post voor ons zo belangrijk is, het is de verbinding met thuis. De wekelijkse brieven van de ouders, de Donald Duck voor de kinderen, de opgestuurde pakketjes met lekkers of tijdschriften. Soms is een brief in twee weken over, soms duurt het twee jaar. Zoals het pakje van een nicht dat na een jaar pas aankwam en waar de hagelslag al door de muizen was opgegeten.

Voordeel
De mevrouw op het postkantoor vraagt vanochtend ook hoe het ook al weer zit met al onze kinderen. Aan haar leg ik het maar weer even goed uit. Het voordeel van zo’n gesprek is dat zij de volgende keer wat toeschietelijker is met het uitzoeken van onze post en het verkopen van de postzegels. Ze vraagt of we niet nog een kindje willen. Zij heeft een dochtertje dat wel bij ons mag komen wonen. Tja, wat zeg je dan? Rond half elf zijn we weer thuis. De koffie staat klaar en onze kok, mevrouw Esther, is al druk ons middagmaal aan het voorbereiden. Wat een luxe toch, zeker als je bezoek hebt.

Sietske Visser
(Friesch Dagblad, 31 juli 2001)