Schuilplaats in het tropisch regenwoud

Leslokalen

Leslokalen

Een mooie, veilige plek wordt vaak ‘een oase in de woestijn’ genoemd. Onze woonplek zou ik ‘een schuilplaats in het tropisch regenwoud’ kunnen noemen. Zo wordt ons seminarium wel genoemd. Het is inderdaad een prachtige plek waar wij wonen. Toen men zo ‘n 13 jaar geleden met de bouw van het seminarium begon was dit terrein een ondoordringbaar stuk oerwoud aan een zandweg ver buiten Kumba. Nu is het een terrein van 21 ha. waarvan ongeveer een derde is bebouwd. Op het terrein, hier compound genoemd, wonen alle studenten en alle docenten, zo ‘n 150 mensen met elkaar. Er zijn 60 studenten (45 mannen en 15 vrouwen) en 7 docentenfamilies, een klein dorp dus, een gehucht.

De Compound
De studenten studeren hier drie jaar theologie. Na drie jaar studie, waarin ook 2 keer een periode zit van 6 weken stage, zijn ze klaar om als pastor in de gemeente te gaan werken. Over de studie en het studieprogramma schrijf ik een volgende keer meer. De studenten verdeel ik voor het gemak even in getrouwde studenten en niet-getrouwde studenten. De niet-getrouwde studenten wonen als het ware op kamers. Er zijn 3 blokken met ieder 7 kamers, daar huisvesten we 45 studenten. De mannen en vrouwen strikt gescheiden. Dat betekent dat er 2 of 3 studenten op een kamer wonen. Een on-Nederlandse toestand maar hier heel gewoon. Ze beschikken over gemeenschappelijk douche- en toiletgebouwen. De niet-getrouwde studenten hebben ook gezamenlijk een keuken en eetzaal. Er werken 2 koks die 3 maaltijden per dag bereiden. De studenten bekostigen de maaltijden samen.

Verder zijn er dit jaar 15 getrouwde studenten. Zij wonen met hun gezinnen in een soort rijtjes huizen. Het zijn  kleine huizen maar met een woonkamer, 2 slaapkamers, een houtvuurkeuken, douche en toilet. Buiten is er plek om (droog) te zitten en tussen de huizen is steeds ruimte om de was te drogen en voor de kinderen is er genoeg speelruimte. Het is daar een gezellig buurtje waar ik graag kom. Midden op het terrein staan de klaslokalen, de bibliotheek met leeszaal en de kantoren van de docenten. Alles omgeven door veel bloeiende struiken en bloemen, palmbomen en bougainville, een typische tropische struik die het hele jaar bloeit. Dan is er nog het deel waar de docenten wonen. Er staan 6 ruime villa’s verspreid over een groot oppervlak. Dat betekent dat ieder huis een grote eigen tuin heeft. Onze eigen compound is ongeveer 60 bij 40 meter. Een ideale speelplaats voor de kinderen waar een zandbak, een trapveldje, een grote kippenren, een volkstuintje en zelfs een soort kinderboerderij een plek hebben gekregen. De rest van de 21 ha. wordt gebruikt voor fruitbomen zodat het seminarium zijn eigen sinasappels, citroenen, mandarijnen en pruimen heeft. Ook heeft iedere docent en iedere student een eigen ‘farm’, een groetentuin zouden wij zeggen. De getrouwde studenten verbouwen daar men name producten die ze zelf eten zoals yammen (een soort aardappel) maïs, pinda ‘s, ananas en bananen. De andere studenten verbouwen producten die te verkopen zijn en gebruiken dat geld voor hun studie.

Farms met oerwoud op de achtergrond

Farms met oerwoud op de achtergrond

Zorg voor elkaar
Dat we een soort dorp zijn uit zich in de zorg voor elkaar. De vrouwen zorgen voor elkaars kinderen wanneer ze naar hun farm gaan of boodschappen moeten doen. Ze helpen elkaar als er palmolie moet worden gemaakt, een zware klus waarbij palmolienoten moeten worden fijn gestampt. We groeten elkaar altijd met het schudden van handen en de vraag naar de gezondheid. Bij ziekte of verdriet bezoekt men elkaar en wordt er gebeden. Terwijl ik dit artikel schrijf ben ik ziek vanwege een zware keelontsteking. De hele dag lopen mensen in en uit om te groeten en ‘ashja’ te zeggen, wat zo iets betekent als sorry. Soms is dat een beetje veel want men verwacht wel dat je uit je bed komt en even bij hen gaat zitten. Doordat ik erg ziek was heeft Hinne die taak maar op zich genomen en mij verontschuldigd. Het is aan de andere kant ook erg goed dat mensen wel komen en dat we van elkaar weten hoe het er voor staat. In vele huizen zal vanavond voor ons gezin gebeden worden. Ons dorp is ook een religieuze gemeenschap. Doordeweekse dagen beginnen met een ochtendgebed en we sluiten de dag met een avondgebed, vaak geleid door een van de studenten. Iedere vrijdagavond hebben we een gezinsdienst. Voorganger is een van de studenten en vaak is er speciale aandacht voor de kinderen. Niet zoals in Nederland met eigen materiaal en eigen liederen maar in die zin dat het verhaal op een eenvoudige wijze wordt verteld en dat er soms iets van een toneelstuk is in plaats van een preek. Onze eigen kinderen zingen de liederen luidkeels mee en genieten van deze diensten. Ook tijdens deze dienst worden de zorgen en ziektes gedeeld. Ook de goede dingen die we ontvangen worden gedeeld. Dat is iets waar Hinne en ik ons steeds weer over verbazen. De levensstandaard is hier zo laag, zeker in verhouding tot Nederland. Hier is men blij met de kleinste dingen en dankbaar voor het goede. Ik hoop dat we daar iets van mee naar huis mogen nemen als ons contract is afgelopen. Dankbaarheid voor de goede dingen in dit leven, dankbaar voor de nieuwe dag en een goede nacht, dankbaar voor het eten op tafel en de (herkregen) gezondheid.  De ‘schuilplaats’ zullen we achter moeten laten, zo’n tuin krijgen we nooit weer, een speelplaats voor de kinderen, zo veilig en groot, zullen we nooit weer hebben. We hopen de dankbaarheid mee te kunnen nemen en later een gemeente te vinden waar de gemeenschapszin en de zorg voor elkaar groot is.

Sietske Visser
(Friesch Dagblad, 14 augustus 2001)