De fantasie van God

Preek voor de Nijkleaster Jaardag 2015

De fantasie van God

Bêste minsken

1.
Wat fantastisch dat jullie hier vandaag zijn. Wat fantastisch dat we hier een kunstwerk hebben staan van Jentsje Popma: symbool voor zijn schenking aan Nijkleaster dit jaar.  Wat fantastisch dat Anne Woudwijk ons vandaag het kunstwerk ‘Genesis’ schenkt.  Wat mooi om een ‘wurksjop’ op de Ferdjipping rondom dit kunstwerk aan te kunnen bieden o.l.v. Sytze Ypma. Wat fantastisch dat we vandaag het boek fan zuster Minke de Vries aangeboden krijgen bij de wurksjop o.l.v. Seintje Bos en Tjitske Hiemstra, beide verbonden aan de gemeenschap van Grandchamp.  Wat fantastisch dat er een scheppingskuier was over het land van Tjalling en Nina Rodenhuis o.l.v. Sietske Visser. En wat fantastisch om hier te kunnen zingen over de schepping , wederom o.l.v. Hindrik van der Meer.

Wat fantastisch, want jullie ontspruiten allemaal aan de fantasie van God!

2.
Bij schepping wordt vaak gedacht aan het begin. Hoe het allemaal is begonnen. In den beginne. De aarde was woest en ledig. Afgebeeld door Anne Woudwijk op deze wijze (een van de 40 panelen van het kunstwerk):
1

 

 

 

 

Maar het gaat in de schepping gaat het niet zozeer om het begin. Ja, de grondtoon is gezet. Van donker naar licht! In beginsel draait het daar om. Het gaat niet zozeer over de vraag hoe het begonnen is, maar waar het op toe gaat.  Hoe het verder gaat met Gods fantasie. Velen beantwoorden die vraag door te zeggen dat het gaat om de schepping van de mens. Dat vormt immers de kroon op de schepping. Ook in de lezing van vandaag gaat het die kant op. Hij vertrouwt zijn fantasie toe aan de mensen: volbreng mijn fantasie. Maak mijn wereld tot een bewoonbaar huis. Anne Woudwijk beeldt het op een van de panelen uit zijn kunstwerk zo uit:

2a

 

 

 

Dit beeld is iconisch voor  hoe er gedacht wordt over de schepping: de mens  in het midden. Het draait om de mens, als kroon. Maar het lijkt wel alsof die kroon ons naar het hoofd is gestegen. De ongebreidelde fantasie van God is omgezet in een ongebreidelde strijd tegen de schepping. We menen als mensen dat we alles kunnen doen en laten. Dat alles maar geoorloofd is. Paus Franciscus schrijft in zijn encycliek van dit jaar ‘Laudato si’: het vernietigen van Gods schepping is, op ieder nivo, zonde. Letterlijk zegt hij het zo: ‘to commit a crime against the natural world is a sin against ourselves and a sin against God’. Het aantasten van de heelheid van de schepping is een zonde tegen onszelf en tegen God. Hij citeert daarbij trouwens met instemming de woorden van patriarch Bartholomeus, de patriarch van de oosterse kerken, ook wel de groene patriarch genoemd.

3.
Dit beeld van de mens als centrum zit ons ‘tussen de oren’, het is diep psychologisch ingeslepen, het heeft (logischerwijs) mythologische proporties gekregen. Maar op dit nivo is er een uitweg. In het Bijbelse scheppingsverhaal is de creatie van de mens namelijk niet het hoogtepunt. Waar gaat de schepping uiteindelijk op aan? … Juist, op de sabbat, de zevende en laatste dag. Dát is de kroon op de schepping! De dag om te rusten, om vrij te hebben en te vrijen, om los te laten, om de fantasie de vrije ruimte te geven, om onszelf te relativeren, om te genieten. Om als God op die dag in de hangmat te luieren en met open ogen, oren en handen het goede te ontvangen. Ha, Anne Woudwijk heeft dat tableau met de mens in het midden echt niet als laatste opgehangen. Het laatste tableau van de 40 is deze:

3

 

 

 

 

Dat is een tableau van licht, van ruimte, van sabbat. Ook van het lege midden dat door niemand wordt ingenomen!
Misschien kan dat beeld ons verlossen van een té overspannen visie op onszelf. Want die visie op onszelf is vaak te serieus. Zonder  de broodnodige fantasie. Vaak zijn we veel te fanatiek! Ik begrijp natuurlijk wel dat er heel wat moet gebeuren tegen de vernietiging van onze schepping. En ik begrijp ook wel dat we het niet over kunnen laten aan de grote schurken, en de kleine schurken.
Maar we moeten in onze strijd niet zijn als degenen op wie we niet willen lijken. Wees niet fanatiek, maar fantasievol. Ik vind dat we vaak (en ik heb het ook over mezelf) té serieus zijn. Té vol van onszelf, té bezorgd, té krampachtig.
Misschien kunnen we leren om meer te ontvangen in plaats van te werken en te presteren. Bij schepping en creëren gaat het meestal om rust, om loslaten, om ontvangen. We willen vaak te veel. Denken dat we het allemaal moeten redden. Dat is ook wel zo, maar dat lukt niet met een te hoge dunk van onszelf. Wanneer we het niet kunnen los- of overlaten.
Sinds deze zomer krijg ik zangles. Niet omdat ik zo mooi kan zingen. Maar wel omdat ik het graag doe. En omdat ik mijn stem professioneel veel moet gebruiken. En Tetsje roept dat steeds (Tetsje van der Kooi): ‘Hinne, laat los, je wilt te veel. Je werkt te hard. Je moet het ontvangen. Je pakt of haalt een noot niet. Je ontvangt de toon.  Je stelt je er open voor. Het mooiste komt er niet uit door hard te werken maar door te ontvangen. Ontspan. Het is allemaal genade…’ Ha, lach dan bedremmeld terug: ‘Ja dat ‘preek’ ik ook altijd.’

4.
Daarom zijn we vandaag zo blij met mensen wiens werk en wezen ontspruiten aan de fantasie van God! Want zo’n plek willen we hier met Nijkleaster zijn: een pleisterplaats voor Gods fantasie.  Zoals de schepping uiteindelijk uitloopt op sabbat, rust, op hangmat en ontspanning. Zo hopen wij met hier een oefenpek te zijn voor de fantasie van God. Een plek van rust in een op drift geraakte maatschappij. Nijkleaster als een plek van fantasie tegenover een wereld vol fanatieke mensen. Nijkleaster als een plek van stilte, bezinning en verbinding. Stil zijn voor Gods fantasie. Tijd om je daarop te bezinnen en tijd voor aandachtige ontmoeting.
Ik bid dat we hier mogen groeien tot een plek waar we ontvankelijk zijn voor de fantasie van God.

Amen.

(ds. Hinne Wagenaar, 18 oktober 2015)

 

(Lezing tijdens de viering)

Gods fantasie

In het begin was de fantasie!
De fantasie was bij God,
de fantasie was God.
En Gods ongebreidelde fantasie
bracht het heelal op gang:
de mateloze ruimte
met al zijn planeten,
met de gloeiende zon,
de maan en de sterren.
Met licht en met donker
werkte God,
met kleuren en tinten.
En God kreeg plezier in dit fantastische werk.
 
Toen nam God een rib
uit het gloeiende lijf van de zon,
en maakte daarvan
een nieuwe planeet: de aarde
God liet de zon erop schijnen
en de wolken liet God vruchtbaar regenen.
Er kwam leven op de kleine aarde:
velden van groen
en daartussen de bloemen en bomen.
Toen kwamen de dieren:
ze liepen tussen de bomen,
ze vlogen in de lucht
en ze zwommen in het water.

En God kreeg steeds meer plezier
in dit fantastische werk!

Toen kwam God op het idee van de mensen.
Zou ik het durven om aan de mensen
mijn fantasie toe te vertrouwen?
Mensen verder te laten gaan met
alles wat ik zelf ben begonnen?

God waagde het erop.
En zei tegen de mensen:
volbreng mijn fantasie,
mijn onvoltooide schepping.
Maak mijn wereld
tot een bewoonbaar huis.
Verander de rotsen
in bronnen en vijvers,
verander de stenen
in helder water,
verander het water
in wijn voor iedereen.

Maak goed wat nu nog niet af is,
breng alles thuis
wat naar mij onderweg is.
Bewaar mijn fantasie,
maak alles nieuw
tot zelfs de dood zal veranderen
in een poort van leven.