As in fûgel, briedend op it wetter

'De vogel is gevlogen'Preek tijdens de afsluitende viering van het
Nijkleaster Pinkster Paad (NPP)
Pinkstermaandag 2015
Jorwert

As in fûgel, briedend op it wetter
(Genesis 8: 6-12)

Beste mensen,
vandaag hebben jullie tijdens de korte of de langere kleaster-kuier nagedacht over de duif die door Noach als verkenner werd losgelaten. In onze vaste opbouw van ‘stilte, bezinning en verbinding’ kon je hier aandacht aan besteden. Natuurlijk, het Pinksterpaad is ook veel meer dan dat. Je wandelt, ontmoet mensen, geniet van het landschap, je bekijkt dorpen en kerken. En je dénkt niet alleen over de duif, de ademwind, of Gods Geest. Je voelt het gewoon. De wind speelt met ons op zo’n dag.

Maar je werd onderweg uitgenodigd om je te bezinnen over die vogel die over het water zweefde. Het lijkt wel op het begin van de schepping waar ook geschreven staat dat de Geest van God over het water zweefde.  In Genesis 6 kan de duif eerst nergens een plekje vinden waar ze kan neerstrijken om te rusten. Na zeven dagen echter wel, en komt ze met een jong olijfblad terug. Wij proberen dit verhaal als het ware naar ons toe te trekken en te begrijpen in ons leven, in onze wereld. Zeeft die vogel vandaag de dag ook  rond?  En heeft ze dan plek om neer te strijken? Waar in de wereld of in jouw leven kan dat? Zijn er olijfbladeren om te plukken?

Jullie hebben hier vandaag over nagedacht en onderweg ook over gesproken. Over hoe je deze woorden kunt lezen en verstaan. Over je geloof en ongeloof, over hoop en twijfel., over verschilligheid en cynisme.  Ik hoef en kan dat nu niet samenvatten. Er is veel gedeeld en we zijn, zoals we hier verzameld zijn, heel divers. Wel wil ik proberen een  paar overwegingen met jullie te delen tijdens deze afsluiting van het NPP.

a.
Ik geloof dat de vogel Gods ook nu, vandaag de dag,  op het water broed, om het met de woorden van dat lied met die titel te zeggen (zie de tekst hieronder). Dat geloof ik, want het is een kwestie van geloof. Natuurlijk ben ik me ook zeer bewust van alle geesten en demonen die door luchtruim zweven. We worden, zo lijkt het soms, overspoeld door een watervloed aan onreine geesten. Altijd en eeuwig opnieuw de haat en het geweld, zeker ook religieus geïnspireerd.  Het maakt ons verdrietig, moe en moedeloos. Zo ook de geesten die ons altijd weer wijzen op de noodzaak van efficiëntie en meer winst, schaalvergroting en reorganisatie. Alsof alleen de meetbare opbrengst telt. Ook daar worden we verdrietig, moe en moedeloos van. Dat is de watervloed die ons in onze huidige wereld overspoeld.

Ik geloof, want het is een kwestie van gelovig kijken, dat de vogel ook nu op het water broed, wachtend op het wonder, zo vaak nog verborgen voor ons oog. Die ademwind, die Geest die zweeft over het water is de scheppende kracht van God. En die schepping is niet af. Die scheppende kracht broedt altijd voort. Zuchtend en zingend, moederend, barend, zwevend, zoekend, dansend, inspirerend, creatief, vurig.

b.
Maar kan ze ook ergens neerstrijken, of zoals in het in de Friese vertaling staat: ‘Is der plak om har poatsjes del te setten?’ Kan ze ergens landen? Wie kan haar ontvangen. Zijn we ontvankelijk voor die scheppende kracht?

Ik geloof, want het is een kwestie van gelovig kijken, dat er ook vandaag de dag veel van die plekken zijn. Overal zijn er mensen die ontvankelijk zijn voor de geest. En niet alléén in de christendom. Zeker ook in andere religieuze tradities is sensitiviteit voor het scheppende van God. En niet alleen in godsdiensten, evenzeer in ander tradities staan mensen open voor de dans van die vogel.

Die vogel Gods die blijft wel broeden. Maar hoe staat het met ons? Gaat die vogel aan ons voorbij of is er bij ons een plek om te landen? In hoeverre zijn we in staat om te ontvangen? Hoe open en ontvankelijk zijn we?  Ik denk niet dat ze ons zomaar komt aanvliegen. Zo voelt het uiteindelijk wel, maar je moet er wel om vragen, op wachten, om bidden. We kunnen niet  zomaar doorleven in de ratrace van ons bestaan, in de tredmolen van de drukte, de stress, alles wat we willen, kunnen, moeten en zullen. We zullen ons moeten oefenen in het vragen aan de Geest om bij ons te landen. Aandacht, gebed, meditatie, pelgrimage en stilte zijn de takken waarop de vogel Gods haar pootjes kan neerzetten. Anderen zeggen soms: ‘stilte is de zendtijd van de Geest.’

En wanneer je dit oefent, en dat heb je vandaag al gedaan, dan kun je erop vertrouwen dat je de eest zult ontvangen. Ik weet dat velen van jullie dit oefenen in je dagelijkse leven. Dat jullie verlangen naar het aangeraakt worden door de Geest. Dat je een landingsplek wilt zijn voor  ‘de poatsjes fan de fûgel Gods’.  Als je dit oefent en verlangt, dan ontvang je meer en meer de gaven van de Geest zoals op diverse manieren in de Bijbel ter sprake komt. Altijd gaat het om vrijheid en creativiteit, gerechtigheid en openheid. Of zoals Paulus het verwoord als hij spreek tover de vruchten van de Geest: liefde, vreugde en vrede, geduld, vriendelijkheid en goedheid, geloof, zachtmoedigheid en zelfbeheersing.

Die gaven zul je ontvangen. Ga daarom door op deze weg. Blijf je openstellen voor Gods scheppende kracht. Zodat er altijd mensen zoals jullie zijn die plaats maken voor de broedende vogel. En die niet verder kunnen en willen leven met die ons overspoelende onmenselijkheid.

Ga vooral verder op die weg. Wees niet ontmoedigd maar wees gezegend op de weg die je gaat. Ga verder en stel je open voor die vogel broedend op het water. Stean iepen foar dy fûgel briedend op it wetter.  Open up for that bird, brooding on the waters.
Amen

ds. Hinne Wagenaar
Nijkleaster, Pinkstermaandag 2015.

Liet: Sy sit as in fûgel

Sy sit as in fûgel, briedend op it wetter,
sweevjend oer de gaos fan ’e earste dei;
sy suchtet en sjongt, mem fan hiel de skepping,
wachtsjend om te bernjen wat it Wurd har seit.

Sy wjukket oer de_ierde, rêst wêr’t se mar winsket,
ljochtet tichteby of fljocht heech troch de loft;
sy fynt memme skurte, wachtsjend op it wûnder,
koesterjend in mooglikheid dy’t nimmen sjocht.

Sy dûnset yn fjoer, ferbjust’ret wa’t har sjogge,
wekket stomme tongen ta útskroevenheid;
sy stipet en trunet alle iepen herten,
nimmen dy’t har fêstset of har ’t near opleit.

Want sy is de Geast, ien mei God fan wêzen,
jefte fan de Rêder, iiv’ge leafdegloed;
en sy is de kaai dy’t de Skriften iep’net,
fijân fan ’e sleauwens, do fan boppen stjoerd.

Lied: Zij zit als een vogel

Zij zit als een vogel, broedend op het water
onder haar de chaos van de eerste dag;
zij zucht en zij zingt, moeder van de schepping
wachtend op het Woord totdat zij baren mag.

Zij zweeft boven zee, zweeft boven de bergen,
zoekend naar een plaats onder de hemelboog;
zij rust in de schoot, wachtend op het wonder
dat zich daar ontvouwt, verborgen voor ons oog.

Zij danst in het vuur, schouwspel zonder weerga,
maakt de tongen los, taal en getuigenis,
bekeert, inspireert, al wie naar haar luistert;
niets brengt haar tot zwijgen, vurig als zij is.

Want zij is de Geest, een met God in wezen,
gift van de Verlosser aan zijn aardse bruid;
de sleutel is zij, toegang tot de Schriften,
vogel uit de hemel, witte vredesduif

Wylde goes, nû. 30
Liedboek/Lieteboek 701
(John Bell & Graham Maule/Iona community)

Geef een reactie